Bomenstichting
Afdeling Amsterdam

 

  
   
naar pag. 3

 



Bomen in de nieuwe Omgevingswet, pag. 2

Zie verder p. 128 van de consultatieversie van het Invoeringsbesluit Omgevingswet - deel 6, Algemeen deel van de nota van toelichting:

"Paragraaf 4.2.1 van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet en hoofdstuk 22 van de Omgevingswet regelen dat elke gemeente bij inwerkingtreding van de Omgevingswet beschikt over een omgevingsplan. Dit omgevingsplan komt van rechtswege tot stand. Het omgevingsplan dat van rechtswege ontstaat, bestaat direct bij aanvang uit een tijdelijk deel en een nieuw deel. Het tijdelijk deel is beschreven in artikel 22.1 van de Omgevingswet en wordt gevormd door de bestaande planologische regels, zoals bestemmingsplannen, bepaalde regels uit de erfgoedverordening en de verordening over hemelwater en grondwater als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan is, zoals de naam al aangeeft, tijdelijk van aard. In artikel 22.5 van de wet is bepaald dat dit tijdelijke deel tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip niet hoeft te voldoen aan het vereiste van artikel 4.2 van de wet (een evenwichtige toedeling van functies aan locaties). Uit artikel 22.5 van de wet vloeit de eis voort dat gemeenten vóór het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de regels uit het tijdelijke deel overhevelen naar het nieuwe deel. Met onder meer de VNG is afgesproken dat de overgangsfase zal lopen tot 1 januari 2029. Het voornemen is om deze datum bij het genoemde koninklijk besluit vast te stellen."

Een gemeente kan in de overgangsfase voor een bepaalde locatie het tijdelijk deel van het omgevingsplan laten vervallen. Dan moeten er regels worden vastgesteld voor het nieuwe deel van het omgevingsplan voor die locatie. De gemeente moet er dan voor zorgen dat de regels uit het tijdelijke deel, bijvoorbeeld de regels voor het vellen van houtopstanden uit een bestemmingsplan, niet conflicteren met een op te nemen vergunningstelsel. Als er wel een conflict ontstaat, moeten niet alleen de conflicterende regels uit het tijdelijk deel voor de betrokken locatie worden ingetrokken, maar alle regels. Dat betekent dat dus ook de bouw- en gebruiksregels uit een bestemmingsplan en de regels uit het tijdelijk deel van de bruidsschat bij het vaststellingsbesluit, in ieder geval voor de betrokken locatie, ingepast moeten worden in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Zie de memorie van toelichting van de Invoeringswet Omgevingswet, p. 102. Met de bruidsschat worden bedoeld de regels die automatisch in het tijdelijk deel staan. Dit zijn de regels die het Rijk onmisbaar acht, maar die een gemeente wel kan wijzigen of laten vervallen zodra de Omgevingswet in werking is getreden.